Idris Sevenans

Alternatieve galeriehouder
Antwerpen, België

 

 

Idris Sevenans (°1991, Merksem) houdt een galerij in het centrum van Antwerpen, Troebel Neyntje. Hij studeerde Webdesign en begon ooit een studie Filosofie, die hij echter nooit afwerkte, omdat hij net te veel en te graag in discussie gaat. Gelukkig voor ons, gaat Idris tijdens het interview geen filosofische discussie met ons aan, maar hij heeft wel een duidelijke eigen mening en hij weet wat hij belangrijk vindt.

Troebel Neyntje is gestart vanuit een combinatie van eigen werk te willen presenteren en actief en passief bezig te zijn met kunst. Idris leerde verschillende mensen kennen in de kunstwereld, waaronder de twintig jaar oudere Bert Lezy, waarmee hij nu vast samenwerkt. “Ik merkte dat er heel veel mogelijkheden waren binnen de kunstwereld, dingen die je kunt doen en maken. Dat heeft mijn wereld open getrokken.” Een paar jaar nadat Idris Bert leerde kennen, wilden ze een plek voorzien waar mensen dingen kunnen creëren, uitzoeken, aftasten. Dat is Troebel Neyntje geworden. Idris presenteert vooral werk van anderen, maar wel altijd binnen een zelfbedacht concept. Bovendien werkt hij het liefst met goede vrienden, om zo ver mogelijk weg te blijven van het professionele werkveld. Laagdrempeligheid en openheid zijn daarbij twee belangrijke concepten. “Ik probeer wel kwaliteit te bieden natuurlijk, maar de dingen mogen gewoon spontaan gebeuren.”

Andere termen die onlosmakelijk verbonden zijn met Idris zijn humor, parodie en zelfrelativering. Dat zien we van het papier op de deur met “Niet onhard duwen/trekken” tot de naam van de galerij zelf. De naam parodieert enerzijds op het theater Troubleyn van Jan Fabre en anderzijds op het stripfiguurtje Nijntje. “Als kind woonde ik in de Pastorijstraat, waar Troubleyn zich bevindt. Bij Jan Fabre heb ik het gevoel dat saai en vergezocht elkaar tegemoet komen. In zijn ideeën ben ik het wel met hem eens, maar in zijn uitvoering mag het voor mij met wat minder pretentie. Ik wil kunst presenteren zonder pretentie, vandaar komt het verkleinwoord. Wij zouden ook eens iets proberen, met misschien een valse bescheidenheid of misschien ook net niet. Wel wil ik benadrukken dat parodie nooit komt zonder erkenning.” Verder is Idris aangetrokken tot tekst en figuratie, het stripachtige, maar ook hier weer met humor en een zeker naïviteit. “Kinderlijke naïviteit, zoals je die kunt terugvinden in het stripfiguurtje Nijntje, zorgt ervoor dat je blik open blijft.” Het is voor Idris belangrijk om zich nergens op vast te zetten, hij wil binnen zijn kader nog alle richtingen uit kunnen gaan, zichzelf steeds opnieuw uitvinden en nieuwe dingen doen.

Idris en Bert zijn opgestart onder de slogan “Flauwekul will never die”. Het is dan niet verwonderlijk dat ook hun werkmethode gebaseerd is op humor. “De graadmeter bij het beslissen of we al dan niet iets opstarten, is dat het grappig moet zijn. Bij een idee moet je op z’n minst vijf minuten de slappe lach krijgen. Dan zetten we daar onze “inside joke-filter” op en pas daarna denken we na of we het ook echt gaan doen of niet. Je kan jezelf afvragen of het altijd om te lachen moet zijn natuurlijk, maar het gaat mij vooral om die zelfrelativering en zonder pretentie kunst voor te stellen.” Via een stage is Robby Blondbaard eveneens een belangrijke hoeksteen geworden van flauwekul binnen Troebel Neyntje. 

Een voorbeeld van humor in de projecten van Idris is de Flauwekulender, een kalender met flauwe mopjes dus. Maar ze maakten ook al t-shirts met daarop “Verboden te Lokeren”. “Dat is een absurd verbod, dat slaat nergens op. We zien Lokeren als werkwoord of misschien ook niet, dat mag je volledig zelf bepalen.” In dezelfde lijn maakten ze ook de sticker “Bond tegen Veiligheid” om in te gaan tegen de veiligheidswaanzin. “Iedereen snapt dat ook onmiddellijk. Die slogans komen altijd wel ergens vandaan, maar ik benoem dat meestal niet. Ik laat dat liever een eigen leven leiden en ik denk dat de boodschap wel duidelijk is.” Daarnaast was er ook de tentoonstelling “Biënnale van de Banale Dragers”, waar vijfenveertig mensen aan deelnamen. “De deelnemers hadden allemaal werk gemaakt op zakken. Dat werk ging van fotografie over schilderen tot collages. Echt alles kon erin verwerkt worden. En de zak was dan natuurlijk de Banale Drager. En ook dat past in het kader van werken op een laagdrempelige manier, van iets naar voren te brengen zonder pretentie, met dan nog eens de nodige grap erin. Zo is de combinatie tussen biënnale en banale al een grap. De woorden verschillen bijna niks in letters, maar hun betekenissen liggen wel 3000 km uit elkaar.”

Idris plant - in navolging van de t-shirts - een “Verboden te Lokeren” pop-up store op het 100 jaar Dada-festival in december. Maar ook in Lokeren zelf zou hij zo’n pop-up store heel graag eens willen opzetten. Momenteel werkt Idris aan een “winkel van merkwaardige producten”. Dat laatste past perfect in zijn visie van pretentieloos tentoonstellen, van parodie en van humor. “Je presenteert gewoon een hoop werken van mensen en je noemt dat een winkel, een winkel van merkwaardige producten. Het is een parodie op verkoopspullen, maar tegelijkertijd kunnen mensen ook effectief iets kopen. En dan kunnen we ook nog mopjes maken of het wel of niet merkwaardig is.”

 

Idris’ eigen werk bestaat vaak uit ontrafelde figuren met tekst. “Nu ben ik bijvoorbeeld bezig met het maken van kook cut-ups met oubollige foto’s. Ik ontrafel de gerechten volledig zodat ze een totaal andere betekenis krijgen. Mijn tekeningen ontstaan meestal heel spontaan en krijgen dan intuïtief betekenis. Vaak is het wel zo dat van de honderd papieren die je vol tekent er misschien maar vijf zijn waarvan je denkt dat ze goed zijn.” 

Naast de galerij en zijn eigen kunst, creëert en beheert Idris enkele websites voor vrienden in zijn vrije tijd. “Maar ik denk dat voor mij alles wel vrije tijd is. Het is gewoon één grote speelruimte. Er zijn natuurlijk praktische zaken die ik moet regelen, maar voor de rest is het een chaos van alles en niks.”

Voor Idris is Antwerpen niet enkel zijn thuishaven, maar ook zijn werkplaats, zijn ontmoetingsplaats, zijn speelplaats en dat is heel belangrijk voor hem. “Ik ga hier niet meer weg geraken, maar ik vind dat ook niet erg. Alles zit hier helemaal vastgeroest. Ik vind dat niet negatief, ik vind dat juist leuke roest. Er speelt hier gewoon te veel af voor mij. Bovendien vind ik de Nederlandse taal heel belangrijk. Voor mijzelf toch. Niet dat ik daar een principekwestie van maak. Alles gebeurt gewoon in het Nederlands. Dat is onmisbaar.”


www.troebelneyntje.be